Leer ik het nu nooit?!

“Leer ik het nu nooit” denk ik met enige regelmaat als ik weer eens in een oude valkuil trap. Door te snel ‘ja’ te zeggen op een vriendelijk verzoek, door te makkelijk ‘nee’ te zeggen tegen iets wat ik niet ken of door mijn mond te houden waar ik juist van me af had moeten bijten….. “Leren we het nu nooit”, denk ik ook regelmatig als ik de kranten doorneem. Bijvoorbeeld als er ergens weer een oorlog uitbreekt, een brug afbreekt of schoon drinkwater ontbreekt. Dichter bij huis gun ik Wilders een scheutje wijsheid en een aantal bestuurders van grote ondernemingen wat meer integriteit bij het beheer van hun aandelenportefeuille. Voetbaltrainers wat meer bescheidenheid en beheersing langs de lijn; spelers wat meer respect voor lijf en leden binnen de lijnen en zogenaamde supporters wat beschaving buiten de lijnen… Willekeurige voorbeelden uit een langere reeks.

Ach, wat hebben we met elkaar nog veel te leren.

Toch heb ik zelf de schoolbanken al lang geleden verlaten. Voor veel van degenen die ik in mijn betoog betrek geldt dat ook. Ik heb expres geen voorbeelden opgenomen vanuit de jeugd; voetbalsupporters voor een deel uitgesloten. Van de jeugd weten we namelijk al ‘dat die het allemaal nog moeten leren’. Daarvoor hebben we steeds groter wordende instituten opgericht die we scholen noemen en waarvan we verwachten dat er veel geleerd wordt. Zeker, er wordt op scholen veel kennis opgedaan; de vraag is of dat echt leren is. Het lijkt voor een heel groot deel nog steeds op ‘stampen’. Dat komt omdat wijze commissies zich erover hebben gebogen en hebben beslist wat iedereen moeten kennen en kunnen aan het eind van de opleiding. Het leren is daarmee dus extern gestuurd en dat betekent per definitie dat we met een moeizaam, energie vretend proces te maken hebben. In de meeste opleidingen die ik zelf heb gevolgd is het mij zo vergaan: 1/3 van de lessen vond ik leuk, soms vanuit de inhoud, soms door de enthousiaste kwaliteiten van de leraar. 1/3 accepteerde ik omdat ik wel snapte dat het relevant was, maar ik vond het wel minder leuk. En van 1/3 snapte ik werkelijk niet waarom ik het moest leren en ik geloofde ook niet dat ik het ooit zou gebruiken. En men slaagde er ook niet in om mij alsnog dat inzicht bij te brengen. Ik vraag me trouwens af of men zich die moeite wel heeft getroost.

Wat ik moest leren én leuk vond, leerde erg snel. Wat ik minder leuk vond, maar waarvan ik wel snapte waarom ik het moest leren, kostte meer moeite, maar ging toch nog redelijk goed. Wat niet leuk was en waarvan het belang mij ook niet duidelijk werd, kostte mij veel energie. Héél véél energie. Energie die uiteindelijk ook nog als verspilde energie kan worden gezien, aangezien ik me ook weinig onderwerpen kan herinneren van zaken die ik toen niet relevant vond en later toch ben gaan gebruiken. Het was dat de leraar statistiek van grote klasse was, maar ik wist dat ik kansberekeningen en correlatiecoëfficiënten zelf nooit zou gaan gebruiken. Met pijn en moeite haalde ik de vereiste 5,5. Diezelfde hoeveelheid energie had ik ook kunnen gebruiken om meer te leren van waar ik wél in geïnteresseerd was. Als ik deze vorm van energieverspilling aan de orde stel krijg ik meestal te horen dat het allemaal toch wel goed was voor mijn karakter. Collectief zitten we blijkbaar nog steeds in de stand dat anderen beter dan jijzelf weten wat goed voor je is.

Mij is altijd het verhaal bijgebleven van de jongen die op de basisschool de Cito-toets had afgelegd, met als resultaat een indicatie voor het VWO. Maar daar slaagde hij niet en hij probeerde het op de Havo. De Cito-toets geeft nu eenmaal niet een 100% zekere voorspelling. Maar ook op de HAVO lukte het niet en daarom was de volgende poging het VMBO. Dat was wél vreemd. Wat bleek: de jongen was helemaal geobsedeerd door alles wat te maken had met ‘schone verbrandingsmotoren’. Hij was daar een hele expert in geworden: autodidactisch, wat in dit geval een heel typerende uitdrukking is…

Wat belangrijk is voor het vakgebied van schone verbrandingsmotoren kwam in alle opleidingen maar in zeer beperkte mate in het lespakket voor.  Voor Duits bijvoorbeeld had de knaap vooralsnog ook geen enkele interesse. Daarop faalde hij dus in alle opleidingen. Toch weet ik zeker dat hij later, eenmaal door een Duitse automobielfabrikant uitgenodigd om zijn bijdrage te komen leveren, in no-time zich het Duits zou eigen maken. Intelligentie genoeg voor….

Maar de realiteit was nu een jongen met een geknakt zelfbeeld  en met een fors psychisch probleem. En de maatschappij uiteindelijk zonder briljante ‘schone verbrandingsmotor-expert’.

De eindtermen van de verschillende schooltypen die deze jongen heeft doorlopen waren stuk voor stuk een hinderlijke onderbreking van zijn leerproces; een leerproces dat eigenlijk geen einde kent, zolang hij zijn passie kan botvieren.

Ik denk dat leren een levenslang proces is en dat begint met het leren kennen van jezelf. Om te leren werken vanuit de talenten die je vanaf je geboorte hebt meegekregen en die een onuitputtelijke bron van energie voor je zijn als je ze kunt inzetten. Die onuitputtelijke bron van energie noemen we ook wel ‘passie’. ‘Wat is mijn echte passie?’ vragen veel veertigers zich af en kiezen vervolgens een heel nieuwe richting, uiteindelijk wijs geworden door het leven en misschien wel een burn out, omdat hun oude energiebron was uitgeput. Er werd namelijk gedurende langere tijd een beroep gedaan op ‘talenten’ die niet verbonden waren met hun passie, waardoor hun energie niet automatisch werd aangevuld en het energievaatje al leger en leger raakte.

Wie niet werkt met eigen talenten, verbonden met een eigen passie en niet heeft geleerd zichzelf daarop te sturen, gaat nare bijverschijnselen vertonen: angst, boosheid en verdriet. Om mij heen zie ik een maatschappij met veel angst, boosheid en verdriet. Er is reden om bang te zijn als je je eigen kracht niet kent: dan ben je ook bang voor je omgeving. En mensen worden boos wanneer hun talenten, meer nog, hun eigenheid niet wordt herkend. Dan gaan ze schreeuwen en vechten om zich alsnog te tonen. En als alles nog steeds niet het gewenste resultaat op heeft geleverd dan komt het verdriet. Zo zie ik bijvoorbeeld in bejaardenhuizen veel verdriet: levens die nooit hebben geleid tot effectieve zelfsturing, maar geleefd werden vanuit gehoorzaamheid. En nu uiteindelijk extreem veel (extra) zorg vragen.

Als wij ons leren steeds meer laten sturen door onze passie en door onze talenten dan leren we ‘als vanzelf’ ons hele leven. Gelukkig kom ik steeds meer mensen tegen die die kracht gevonden hebben en daar ook dagelijks plezier aan beleven. Die ook nooit écht moe lijken te worden; mensen met een goedgevulde energiebron die steeds weer wordt aangevuld van binnenuit.  Die mensen blijven ook gewoon bij op hun vakgebied, ook zonder sturing of stimuleringsmaatregelen van buitenaf. Ze blijven ‘bij de tijd’.  Met als voorwaarde: dat het hen raakt, van binnen uit.  Niet voor niets hebben veel oudere werknemers moeite om nieuwe ontwikkelingen te volgen. Niet omdat zij een oudere werknemer zijn, maar omdat zij stammen uit een tijd waar gehoorzaamheid hoog in het vaandel stond. De meeste ouderen hebben nog meegemaakt dat ze voor gehoorzaamheid op hun rapport een cijfer kregen.  Voor velen van hen heeft dat betekent dat ze in het werk nooit echt op hun passie terecht zijn gekomen. Het zijn de werknemers die vanaf hun 55e ook meer bezig zijn met de vraag ‘hoe lang moet ik nog’ of ‘van welke regeling zal ik gebruik kunnen maken’. Want daarna wil hij ‘leuke dingen gaan doen’. De zelfsturende leerder leert tot zijn tachtigste en vindt het jammer dat zijn lijf hem dan dwingt af te gaan bouwen…

Leer ik het nu nooit” denk ik dus met enige regelmaat als ik weer eens in een oude valkuil trap; maar ik blijf het proberen en het gaat me lukken! Al is het op m’n tachtigste.

augustus 2007
Piet Boot

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *