Het onderwijs her-dacht

Onderstaand document schreef ik in mei 2008 toen ik door een andere bewonderaarr van Arnold Cornelis werd uitgenodigd deel te nemen in een beleidsgroep van D’66. Deze beleidsgroep had de opdracht met voorstellen te komen voor het onderwijsbeleid van D’66 van de komende jaren. Aangezien ik vanaf mijn stemgerechtigde leeftijd op D’66 had gestemd en onderwijs mij na op het hart ligt (basisonderwijs in het bijzonder) leek mij dit een mooie kans mijn ideeën met anderen te delen en mee te werken aan een betekenisvolle activiteit. Daar kwam nog bij dat ik mijn affiniteit tot de partij nog nooit in daden had omgezet, anders dan alleen een keer als lijstduwer te fungeren bij Papendrechtse raadsverkiezingen. De uitnodiging was dus een mooie gelegenheid die omissie ook nog in te vullen.

Hoe het afliep? Lees mijn notitie aan het eind.

Doel en status
Doel van dit geschrift is aan de leden van de beleidscommissie op hoofdlijnen inzicht te geven in de uitdagingen die ik zie bij het formuleren van een nieuw onderwijsbeleid. Het stuk heeft vooralsnog geen enkele andere status dat het een impressie geeft van mijn beelden. Alle uitspraken neem ik voor mijn persoonlijke rekening. Op veel punten is nog veel toe te lichten en menig aspect is nog niet aan bod gekomen.

Het kan de basis zijn voor een verdere uitwerking, waarvan ik nog niet weet of ik die ga maken. Vooralsnog wil ik daarom dit document uitsluitend reserveren voor de leden van de onderwijsbeleidscommissie.

In deel I deel ik mijn inzichten en gedachten over de omstandigheden die het naar mijn mening nodig maken om over nieuwe vormen van onderwijs na te denken.

In deel II werk ik toe naar drie essentiële vragen, in de verwachting dat het zoeken naar antwoorden op die vragen bij zal dragen aan nieuwe ideevorming over onderwijs.


Deel I /
De aanleiding voor een nieuw onderwijs(beleid)
Onze 20e eeuwse onderwijsstelsels hebben ons veel gebracht. Een hogere graad van educatie voor alle lagen van de bevolking. Ondanks alle mitsen en maren sloten ze aan op de behoefte aan een vergroting van kansen voor de zwakkere groepen in de samenleving en aan de toenemende behoefte aan kennis.

Maar nu piept en kraak het hele onderwijsgebouw van onder tot boven. De gebruikelijke kwaliteit in het basisonderwijs kan niet of nauwelijks worden gewaarborgd, o.a. door de steeds verder afzwakkende kwaliteit van de leraren die van de pabo komen. Recentelijk werd de nieuwe norm nog gesteld: de pabo leraar moet wel mbo 4 niveau hebben voor rekenen en taal…..
En de rest van hun pedagogische kwaliteiten: ook op MBO 4 niveau? Het vmbo kent een veel te hoge mate van uitval; in het vo zijn vernieuwingen weer voor een belangrijk deel teruggedraaid en niet op grote schaal door nieuwe inzichten ontvangen; het hbo is op veel fronten doorgeschoten in de poging het aantal lesuren te verminderen ten gunste van groepsopdrachten e.d. In vo en hbo zijn we niet in staat een minimum aantal ‘les-uren’ te verzorgen. En voor alle sectoren geldt: de uitval onder leraren is hoog. Slechts een zeer gering percentage haalt het pensioen op normale wijze, dat wil zeggen: zonder extreem ziekteverzuim, burnout en/of vroegtijdige afvloeiingsregeling.

Over het universitair onderwijs kan ik weinig zeggen, omdat ik daar te weinig inzicht in heb.

Bij het opstellen van een nieuw onderwijsbeleid is het mijns inziens daarom raadzaam eerst eens te kijken wat er in de maatschappij gaande is, alvorens via SWOT-analyses e.d. het bestaande onderwijs onder de loep te nemen. Dat nalaten houdt bestaande impliciete uitgangspunten en structuren namelijk te gemakkelijk in stand en leidt te snel tot pleisterwerk waar mogelijk renovatie of nieuwbouw aan de orde is.

De 21e eeuw
Wat is de reden dat het huidige onderwijs in al zijn voegen kraakt? Hoewel de conclusies van het rapport Dijsselbloem op zich niet onjuist zijn, gaan ze naar mijn mening aan de essentie voorbij. Zo rond de eeuwwisseling ontwikkelt zich een ander type mens en we zijn nog niet in staat gebleken daarvan de consequenties voor het onderwijs te vertalen.

In het kort: de 20e eeuwse mens was opgevoed vanuit het perspectief van ‘gehoorzaamheid’. Je kreeg er zelfs een cijfer voor op de lagere school. Heel de maatschappij van de 20e eeuw werd gekenmerkt door gehoorzaamheid. In de eerste plaats de opvoeding, waar in het begin van de eeuw de vader nog de baas in huis was en aan tafel niet zonder zijn toestemming gesproken werd. Lang geleden lijkt, maar pas in de zestiger jaren is daaraan een eind gekomen, maar nog verdween toen de sturing niet van de ouders in de school- en toekomstkeuze van ouders over hun kinderen. Die deden wat ouders dachten dat goed voor hen was. Op school was ook gehoorzaamheid troef: bankjes netjes in rijen naast elkaar, armen over elkaar en alleen spreken als ‘de meester’ het zei. Ook daaraan is pas sinds de 60-er jaren geknabbeld…. Het leger fingeerde veel meer dan nu vanuit de traditionele bevelstructuur met onredelijke eisen en straffen waar niet tegenin gegaan kon en mocht worden. Macht. Het geloof werd van bovenaf gedicteerd en opgelegd en op het werk was de baas was degene die vanuit een verhoogde plek in de fabriekhal nauwlettend toezicht hield op de productiviteit van zijn werknemers. ‘Doe jij maar gewoon je werk, denken doe ik wel’, zei de baas. De afstand medewerker – baas was gigantisch. Allemaal voorbeelden waarop de samenleving in ‘gehoorzaamheid’ een basis vond voor zijn functioneren.

Mensen werden tot de 60-er jaren ook niet als individu herkend. We waren het natuurlijk wel, maar we zagen het niet zo. De mens was onderdeel van een collectief gebeuren: het gezin was nog de zgn. hoeksteen van de samenleving, op school waren grote klassen en het woord ‘differentiatie’ werd daar pas in de tachtiger jaren actueel, het leger kende voornamelijk het onderscheid in rang.  De kerkgang ging ‘en masse’ en werd ook collectief beleefd en helder zijn nog de beelden van de fabrieken waar grote stromen arbeiders massaal uit de poorten kwamen op het moment dat de fluit ging of de slagbomen werden geopend.

Hoezo individu en individueel? De 60-er jaren brachten de eerste scheuren in deze collectiviteit omdat de voorlopers zich er werkelijk van bewust werden dat ieder mens een uniek individu is. Dat was schrikken in die tijd: provo’s, kabouters en studentenopstanden. En niet toevallig de oprichting van een nieuwe partij met een nieuw geluid die nu nog weer bevestigt wat toen werd ontdekt: de kracht van de mens. Het was de periode waarin we voorzichtig begonnen afscheid te nemen van ‘macht’. Er waren twee wereldoorlogen voor nodig dat besef op te bouwen. Daarna zijn we in een zich versnellend proces gekomen van vele vormen van individualisering.

Zelfsturing
Die ontwikkeling van individualisering is niet toevallig: hij moest plaatsvinden. Ook de mensheid ontwikkelt zich. Langzaam ontwikkelt zich ons bewustzijn van onze eigen mogelijkheden. En naarmate we dat meer en meer ontdekken willen we er ook meer gebruik van maken. We willen ons zelf gaan sturen in plaats van door anderen gestuurd te worden. (zoals door ouders, leraren, opperhoofden, kerkleiders en managers). We gaan macht vervangen door kracht: de kracht van mensen.

Anno 2008 zijn we met die verkenningen zover gevorderd dat we geen genoegen meer nemen met minder: wij willen onze eigen persoonlijke keuzen kunnen maken. Dat geldt voor de generatie ouderen die in de 60-er jaren wakker zijn geworden, dat geldt voor de jeugd in het bijzonder. Niet omdat het hen zo is bijgebracht, maar omdat zij met die zelfsturende energie zijn geboren.

De technologie ondersteunt die ontwikkeling in hoge mate: wat is in onze maatschappij nog niet mogelijk? Het moet al gek lopen als we het met elkaar niet voor elkaar krijgen.

Maar deze ontwikkeling van gehoorzaamheid naar zelfsturing gaat niet over rozen. Veel mensen ervaren in verschillende graden van bewustzijn een frictie tussen enerzijds de gevoelens van en behoefte aan zelfsturing en anderzijds de ingeslepen opvoedingspatronen van gehoorzaamheid die de zelfsturing tegenwerken. Maar ook kent onze huidige maatschappij nog grote belemmeringen in de vorm van onzinnige regels en overheidsbemoeizucht (lees: ‘gehoorzaamheidseisen’), afstammend van de ideevorming en regelgeving uit de 20e eeuw.

De botsing
Waar leidt dat toe? Opvoedingsproblemen doen zich in verhevigde mate voor. Hoorde ik niet recentelijk dat er 600.000 kinderen in de hulpverlening zitten? Het onderwijs… daar kom ik later apart op terug. De kerk. Die probeert wanhopig haar volgelingen te behouden door steeds ludiekere diensten aan te bieden. Waar het spirituele bewustzijn van mensen toeneemt, neemt de kerkgang net zo hard af.

En in ondernemersland groeit het spanningsveld tussen de traditionele op Angelsaskische leest geschoeide bedrijven en de ondernemingen die op Rijnlandse wijze zaken willen doen. Het is het spanningsveld tussen het bedrijfsresultaat aan de ene kant, waaraan naar Amerikaanse maatstaven de medewerker ondergeschikt is en het Rijnlandse denken dat meer ziet in ideeën als dienend leiderschap en waarin ook de mening van de werknemer ter zake doet. Shareholdervalue versus stakeholdervalue. Meer en meer medewerkers kiezen ervoor om zelfstandig te gaan werken. Ze zijn het blaffen, de wispelturigheid en de (on)macht van hun bazen zat en kiezen voor zelfsturing.

Maar voor grote groepen burgers roept de overgang van de 20e naar de 21e eeuw andere spanningsvelden op. De soms nog onbewuste beleving van de nieuwe tijd, de vele mogelijkheden die worden geboden, brengen veel mensen in een spagaat. Een spagaat tussen hun 20e eeuwse opvoeding enerzijds en de 21e eeuwse werkelijkheid anderzijds. Omdat het aantal mogelijkheden op bijna elk gebied schier onbegrenst is komen meer en meer voor keuzes te staan: of ‘alles’ willen en ‘alles’ doen en het gevoel hebben er niet echt bij te horen als je ook niet ‘alles’ hebt gedaan, gezien, gelezen. Of keuzes maken en dus dingen niet doen, niet zien, niet proberen en daar oprechte vrede in hebben.

Wie niet heeft geleerd zichzelf te sturen, heeft ook niet geleerd naar zichzelf te luisteren en heeft dus ook geen referentiekader om te kiezen. Dán komt deze wereld wel heel overweldigend op je af. Dat leidt tot een volksziekte die zijn weerga niet kent: depressiviteit. Zelfs de World Health Organisation / WHO voorspelt dat depressiviteit volksziekte nummer 1 gaat worden en ziekten als kanker en hartfalen zal overtreffen. Nu al blijkt één op de vier Nederlanders met een psychische stoornis geconfronteerd te worden!. Dat is toch niet te geloven en nog minder te accepteren?!

Hoezo gezond Nederland; hoezo goed onderwijs?

Buigen of barsten
De gevolgen van onze behoefte aan zelfsturing en de beperkte mogelijkheden die er nog zijn om dat ook daadwerkelijk te doen zijn dus enorm.  Daar komt nog bij dat allerlei grote instituties staan te schudden op hun grondvesten. Nee, het onderwijs staat daarin niet alleen. De gezondheidszorg weet o.a. nauwelijks raad met een acceptabele opvang van de vergrijzing en worstelt met het verkennen van de grenzen van de toepassing van de technologische mogelijkheden, met de macht van de medische stand en met integriteit. Oude machtsstructuren werken in de hand dat de kosten de pan uitrijzen.

Het leger (in Nederland tenminste) lijkt tijdig eieren voor het geld te hebben gekozen en de mogelijkheid te ontwikkelen een vredesleger te gaan worden. Daarin gelden andere spelregels dan in een gevechtsleger en is er meer ruimte voor de ontluikende gevoelens van zelfsturing.

Onze economie vertoont ook hele vreemde trekken, vooral in de financiële sector. Denk aan de gekte op de beuzen. Onvoorstelbaar wat een angst en boosheid beurscijfers iedere keer weer oproepen. Zelfs als er gewonnen wordt is er weer de angst het te verliezen. Denk ook aan de kredietcrisis waar niet bestaand geld verdampt en waar we dan zogenaamd ook ernstig onder zullen lijden. In een tijd waarin het nieuwe denken, denken is ‘vanuit overvloed’  representeert ‘economie’ het oude denken: denken vanuit schaarste. Houd het schaars, dan blijft het waarde behouden… Maar er is overvloed aan alles…

Ook de politieke arena vertoont grote breuklijnen, misschien zelfs wel op het niveau van de diepere betekenis van democratie. In ieder geval voelen steeds grotere groepen zich niet meer politiek verbonden, omdat ze niet meer politiek begrepen worden en zelf de politiek niet meer begrijpen. In de politiek gaan we nog graag ‘het politieke debat aan. Maar waar is de politicus die voornamelijk wil denken en praten in dialogen? Politiek is nog zo sterk verbonden aan het begrip ‘macht’.  Maar we willen toch uitgaan van ‘kracht’, de kracht van mensen….? Het past gewoon niet via machtsstructuren ruimte te creëren voor je intenties van kracht.

Daarom
In deze zich turbulent ontwikkelende maatschappij is het zodoende naar mijn mening dus absoluut noodzakelijk de functie van het onderwijs in al zijn geledingen nog eens goed tegen het licht te houden alvorens met het plamuren er van te beginnen….. Onderwijs is zo ongemeen belangrijk. Ik houd nog maar even de term onderwijs aan, hoewel ik in mijn hart denk dat we daar ook een nieuw begrip voor moeten vinden op het moment dat de contouren van het nieuwe denken daarover vorm gaan krijgen. Als we een echte stap willen maken is het absoluut zaak het onderwijs te her-denken.

Onderwijs
De benoemde huidige maatschappelijke ontwikkelingen geven mij aanleiding om een paar aspecten te noemen die voor mij essentieel zijn bij de benadering van een nieuwetijds onderwijs. Bij die ontwikkelingen komt overigens minstens nog één ander aspect naar voren: de versnelling in de tijd die wij allen met elkaar ervaren. Of dat ook werkelijk een versnelling van de tijd is laat zich nog bezien, maar het voert te ver daarover nu uit te wijden. Als we deze zgn. tijdversnelling herkennen in de kortere life-cycle van alles wat we bedenken, dan geldt des te meer dat we de gevolgen daarvan voor het onderwijs goed moeten doordenken. We bouwen het nieuwe onderwijs namelijk niet voor de huidige generatie, maar voor de generaties die nog verwekt moeten worden en die zullen leven in een maatschappij waarvan maar weinigen onder ons een helder beeld hebben.

In het tweede deel van deze gedachtespinsels formuleer ik drie essentiële vragen voor een nieuw onderwijs en dus ook voor een nieuw onderwijsbeleid.

 

Deel II

Eindtermen
Ons hele donderwijs is ‘eindtermen gestuurd’.  Dat wil zeggen: belangrijke commissies van ‘deskundigen’ hebben vastgesteld wat iemand moet kennen en kunnen om zich ‘…(x)…’ te noemen. Eindtermen gelden voor de leerling die van de basisschool af komt tot degene die afstudeert aan de universiteit.

Belangrijk is de constatering dat het vaststellen van uniforme eindtermen verschillen tussen mensen niet herkent en dus ook niet erkent, daarentegen nog steeds uitgaat van de collectiviteit: alle ‘…. (vul het vak / beroep zelf maar in)….’ zijn gelijk; zij weten en kunnen hetzelfde. Althans dat is de illusie die wordt opgebouwd, om anderen die gebruik willen maken van de afgestudeerden enige zekerheid te geven…..

De nieuwe maatschappij juist vraagt echter juist om het benutten van verschillen. We hebben alle kwaliteiten nodig om deze complexe maatschappij in het goede spoor te houden. ‘Twee weten meer dan een’, leert een oud spreekwoord ons al, maar hoe kan dat als de een en de ander hetzelfde in hun opleiding hebben gehad. En de politiek maar roepen (en klagen) over het gebrek aan innovativiteit…….  Logisch: we bannen het uit via ons onderwijsstelsel, te beginnen met de Citotoets…

Ik wil een onderwijs dat zich oprecht zorgen maakt over de mogelijkheden die de individuele mens in zich heeft. Nu is dat niet het geval: de eindtermen staan centraal, niet de leerling/student. Om dat oprechte onderwijs te bewerkstelligen zijn minstens twee zaken erg belangrijk. Ten eerste: persoonlijke en oprechte aandacht voor ‘het verborgen programma’ van het individu, voor dat wat ‘in hem/haar zit’: de passies en talenten. Ten tweede: de noodzaak van het aanbieden van een rijk aanbod aan mogelijkheden. Wat niet verkend wordt kan ook niet worden gekend.  Uit een veelheid van verkenningen ontdekt het individu wat bij hem past, opdat hij daardoor echt zelf kan ontdekken wat zijn talenten zijn, waar zijn behoeften en ambities hem/haar naar toe leiden.

Komt deze communicatieve zelfsturing op gang dan heeft zich in het individu een continu oplaadbare batterij ontwikkeld, die voortdurend zal zorgen voor een zelfsturend zoek- en dus leerproces. Het individu komt dan altijd te weten wat het te weten wil komen omdat het zijn eigen zoek- en leerproces stuurt en het individu voelt zich wel daarbij. Dat leerproces verloopt ook op effectieve en efficiënte wijze, omdat de lerende zich immers niet meer bezig hoeft te houden met dat wat al die deskundigen in commissie voor hem hadden bedacht dat nodig was….

De eerste vraag is dus hoe we een onderwijs kunnen creëren zonder eindtermen.

Bewustzijn
De beschikbare kennis vermeerdert zich in hoog tempo. Niemand weet het precies, maar je hoort vaak zeggen dat eens per jaar of nog frequenter de hoeveelheid kennis zich weer verdubbeld. Maakt ook niet uit. Van wat er te weten valt weet zelfs het meest geleerde individu ter wereld een verwaarloosbaar klein percentage. En het is niet alleen een verdubbeling van de hoeveelheid kennis, maar tegelijkertijd ook een herziening van bestaande, tot dan toe als ‘waar’ of ‘onwaar’ beschouwde feiten en inzichten.

Wat is dus het nut van het vormen van onderwijs rondom het thema ‘kennis’? Scholen zijn toch de kennisinstituten voor onze kennismaatschappij?  Ik stelde het eerder: heel veel kennis is direct beschikbaar via de nieuwe technologieën en via allerlei organisaties, opleidingen, trainingen, e.d. Daar kunnen we gebruik van maken op het moment dat we de behoefte voelen er naar op zoek te gaan. Nu, a la minute, direct bij het opkomen van die behoefte. We hoeven er niet op te wachten en krijgen dan state-of-the-art antwoord op onze vragen. Dat moet het hedendaagse onderwijs nog eens waarmaken: hoe snel komen nieuwe inzichten werkelijk door. Daar gaan in de meeste gevallen jaren overheen.

Wat is de zin van ‘kennisoverdracht’ als basis voor het onderwijs als we van mensen nu al verwachten dat ze in hun leven twee of drie keer van loopbaan veranderen omdat hun ‘vak’ door nieuwe ontwikkelingen is achterhaald. Nee, de zelfsturende mens ontwikkelt zichzelf voortdurend omdat hij leergiering blijft en is dus niet het slachtoffer van de veranderende maatschappij om zich heen, maar de vormgever ervan. Leren is niet meer een levensfase, het is een levenshouding.

Het onderwijs (whatever it may be…) doet er beter aan ‘het ontwikkelen van bewustzijn’ als startpunt en leidraad te nemen. Dat heeft drie kanten. De eerste kant is al eerder besproken: de ontwikkeling van het eigen bewustzijn over het eigen ‘zijn’, over de eigen talenten, mogelijkheden, passies en ambities. De tweede kant is de ontwikkeling van het bewustzijn over wat de omgeving, de wereld te bieden heeft en hoe zaken zich ontwikkelen. De derde kant is de verbintenis tussen deze twee:  het ontwikkelen van een zelf-bewustzijn over de eigen bijdrage aan het grote geheel. Niets meer en niets minder.

De tweede vraag is dus hoe we een onderwijs kunnen creëren waarin het ontwikkelen van het bewustzijn de leidraad is. 

Holistische mensbenadering
Zo’n onderwijs behoeft ‘dus’ een ander mensbenadering dan de enge, voor 90% psychisch gerichte benadering. Nu we de mens eindelijk echt hebben ontdekt (ook een voorbeeld van collectieve bewustzijnsontwikkeling, trouwens) moeten we de mens in zijn ontwikkeling ook echt serieus gaan nemen: dus holistisch.

De WHO ziet vier aspecten, zie het maar als vier facetten van de diamant….: fysiek, psychisch, sociaal-emotioneel en existentieel (of ‘spiritueel’). Wat te denken van een onderwijs wat een evenwichtig beroep doet op de ontwikkeling van de individuele mens vanuit deze heelheid. Ik denk dat het probleem van de depressiviteit zich niet zo zal tonen als nu voorzien.

Vraag drie is dus hoe een onderwijs te creëren waarin de mens zich evenwichtig als geheel kan ontwikkelen.

Zelfsturing
Wie denkt dat het wel meevalt met de huidige mogelijkheden tot (communicatieve) zelfsturing: het inzicht is dat bij mensen waar zelfsturing niet goed of voldoende op gang komt drie basisemoties gaan optreden: angst, boosheid en verdriet. Wie niet herkent dat deze drie emoties op dit moment in onze maatschappij nogal hevig aan de orde zijn, heeft volgens mij de ogen in de zak. Hoeveel angst (die ons ook nog stevig wordt aangepraat) en hoeveel boosheid kunnen wij nog aan? En hoeveel verdriet is acceptabel? Bedenk daarbij aan depressiviteit als volksziekte nummer 1 over een poosje…

Slot
Volgens mij moet op alle drie hiervoor gestelde vragen het antwoord in samenhang worden geformuleerd. De antwoorden lijken me een mooie basis voor een nieuw onderwijsbeleid voor een partij die onderwijs hoog in het vaandel heeft staan.

Maar… een eigentijds onderwijs dat mensen harmonieus toerust voor hun steeds langer durende leven kan niet ontwikkeld worden in een maatschappij met andere oude knarsende en krakende instituties, zoals ook de politiek. Dat betekent naar mijn mening dus een (her-)oriëntatie op grotere schaal in welke context het onderwijs misschien de vooruitgeschoven post mag zijn, maar niet los gezien kan worden van haar omgeving.

Papendrecht,

Piet Boot
mei 2008

Nawoord (juli 2012)
“Politiek niet haalbaar” was destijds de korte reactie van de voorziiter van de werkgroep. Daarna gingen we over tot het inventariseren van de tien grootste knelpunten in het onderwijs d.m.v. het schrijven en opplakken van de bekende 3M geeltjes. Moest diezelfde avondvergadering wel af, anders hielden we te weinig tijd over voor het formuleren van het rapport in de komende bijeenkomsten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *