Ontbrekend toezicht

Als ik van huis naar mijn lagere school liep (in lang vervolgen tijden) kwam ik altijd langs een klein snoepwinkeltje dat bijna verscholen in een zijstraatje lag. Het was een klein winkeltje, herinner ik mij. Als je binnenkwam stond je direct naast de toonbank waarop al het snoep mooi stond uitgestald. Duimdrop, trekdrop, laurierstaven, grote schuine zoute droppen, zuurballen, zoethout, staafjes zwart-wit… teveel voor een kind…. Toch gaf het binnengaan van het winkeltje, nog met een ouderwetse klingelbel, altijd een vreemd gevoel. De vrouw die het winkeltje bestierde was oud, heel oud in mijn ogen. Ze had een scherpe ronde neus en was niet supervriendelijk. Ze had iets hekserigs en het zou mij niet verbaasd hebben als ze achter de deur  een bezem had staan, waarmee ze zelfs ’s nachts vliegend haar boodschappen deed.

De vrouw woonde aansluitend aan haar winkeltje in de achterkamer. Daar was ze ook meestal als je de winkel binnenkwam. Het duurde dus altijd even voordat ze er was. Dat gaf je nog even de gelegenheid boven al het lekkers te hangen. We wezen gniffelend alle mogelijkheden aan die we met ons dubbeltje konden kopen.

Op een dag duurde het wel heel lang voordat de oude vrouw verscheen. Had ze de deurbel niet gehoord? Was ze net even naar het toilet? Het was al tegen half twee en we moesten vaart maken om nog op tijd op school te zijn. En ja hoor: de gelegenheid schiep de dief…. Na elkaar even dapper in de ogen hebben gekeken pakten we allebei een paar grote zoute droppen en renden naar buiten. Als de vrouw bij onze binnenkomst de bel niet had gehoord, nu kon ze hem onmogelijk gemist hebben.

De droppen smaakten niet lekker. Ik had nog nooit iets gepikt en ik voelde me er niet happy bij dat nu wel gedaan te hebben. Jazeker: tegen de vriendjes trotse verhalen, maar bij mijn beste weten ben ik na die keer nooit meer in dat winkeltje geweest. Durf? Schaamte?

Videocamera’s bestonden in die tijd nog niet. Er was dus geen toezicht in de winkel als de vrouw nog ‘achter’ was. Maar dat was iedere keer zo en altijd ging het goed. Heerlijk, die tijd om je heerlijkheden uit te zoeken en in de opvoeding was duidelijk bijgebracht dat je niet stal. Klaar! Tot die keer dat de gelegenheid zo uitnodigend was dat ik over de schreef ging.
Het was dus niet het ontbrekend toezicht wat de aanleiding was, maar feitelijk mijn nog onvolgroeide moraliteit: je steelt niet, ook niet als je feitelijk de kans hebt het ongezien te doen.

Nu hebben we de kredietcrisis. En iedereen is het er over eens: het toezicht ontbrak. Balkenende, Bos, Wellink: allemaal zijn ze het er over eens. Ook Greenspan gaf het aan de senaat toe: we wisten het niet en ik dacht dat zonder toezicht de markt zichzelf wel zou reguleren. En nu gaan we alle toezichthoudende organisaties en commissies dus weer eens goed tegen het licht houden en nieuwe toezichthoudende instanties in het leven roepen. En ‘risc-management’ zal nog weer een zwaarder accent krijgen in bedrijven. Daar was al sprake van controle op de controle en daar komt nu dus nog een dimensie bovenop. Goed voor de werkgelegenheid, maar geen oplossing van het probleem. Het probleem is namelijk het ontbreken van een moraal. Je verkoopt geen hypotheek aan iemand waar je al van weet dat die dat niet kan betalen en je legt het afbetalingsprobleem daarna ook niet op het bordje van een ander. Er zijn dingen die je niet doet, ook als de gelegenheid je wordt geboden.

Dat is best een moeilijk gegeven en toezicht helpt best een beetje. Maar het blijft dweilen met de kraam open. Dus naast alle roep om versterkt toezicht doe ik een pleidooi voor een vernieuwde verkenning naar de moraal. Gewoon naar onze achterliggende waarden. Dat levert lastige vragen op, vooral als het om geld gaat. Vooral bij die mensen die denken dat ze door geld ook status krijgen.

oktober 2008
Piet Boot

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *