Zit jij wel eens met de benen op tafel?

Nee? Zit jij nooit met je benen op tafel? Schoenen uit en dan even languit? Dan heb je het zeker nooit druk? Als ik het druk heb en vooral op momenten dat er ineens veel op mij af lijkt te komen, dan trek ik mijn schoenen uit en leg ik mijn benen op tafel. Dan ga ik er eens rustig voor zitten.

Dan ga ik rustig nadenken: hoe ga ik dit varkentje wassen? Wat heb ik al, waar kan ik op terugvallen? Wie kan ik inschakelen? Wie moet ik er bij betrekken, wie moet ik informeren? Hoe pak ik dit het slimst aan? Waar vind ik voorbeelden? Wat heb ik geleerd van eerdere situaties?
En dat soort gedachten.

Het is een oud credo uit de kwaliteitswereld: een fout herstelllen kost zeven keer zoveel tijd als een fout voorkomen. Rationeel lijken mensen dat nog wel te begrijpen als je het tegen ze zegt. Maar ik zie het zo weinig gebeuren. Wat ik zie is: direct op het probleem, de uitdaging ingaan, direct handelen, actie en daarna een reeks van aanvullende acties en herstelacties. Nodig omdat de eerste handelingen niet helemaal doordacht waren. Betrokkene zelf herkent dit onderscheid in acties meestal niet. DIe is gewoon druk bezig met de aanpak van zijn uitdaging, het oplossen van zijn probleem.

Wat is dat toch dat mensen niet de rust kunnen vinden eerst goed na te denken,
d e  t i j d  t e  n e m e n en dan pas aan de slag te gaan. En op deze manier in veel gevallen een spoor van vernieling achter zich te laten, want anderen worden in die ondooordachte haast meegesleurd. Die moeten ook ineens van alles, namens onze stresskip dan. En zeker als dat een leidinggevende is, zijn de poppen al snel aan het dansen. Kort dansje dan. Uiteindelijk eindigen veel van deze dansjes in een burn-out. Overdreven? Geloof ik niets van.

De vraag die ik mijzelf stel, terwijl ik met mijn benen op tafel zit is: ‘hoe zit ik deze externe sturing weer om naar interne sturing? Hoe maak ik mijzelf weer regisseur van het proces? Vanuit mijn inzicht dat alles waar waarbij sprake is van externe sturing (alles wat op je afkomt) energie kost en interne sturing (eigen regie) energie oplevert. Zo simpel is dat.

Mocht je hierover twijfelen: leg je benen dan op tafel en begin eens met erover te denkelen.

Wel eens van paraskevidekatriafobie gehoord?

Paraskevidekatriafobie is extreme angst voor vrijdag de 13e. Je zal het maar hebben. De uitdaging doet zich ieder jaar één of twee keer voor. Maar hoe kan je vrijdag de 13e als een ongeluksdag zien, als je zelf op vrijdag de 13e geboren bent? Ik in ieder geval niet en ik ben er zo één: vrijdag 13 juni 1947 om 16 uur 42 vond mijn moeder het genoeg en daar was ik. Vanaf het moment dat ik inzicht kreeg in de koppeling van het getal 13 met mijn eigen leven, heb ik geweten dat dertien nooit een ongeluksgetal kan zijn.

De 13e man
Hoe men daar dan bij komt? Volgens Wikipedia bijvoorbeeld omdat men twaalf zag als het perfecte getal en dan is 12 + 1 een doorbreking van het perfecte, En dan volgt steevast het voorbeeld van de twaalf apostelen en Judas als de 13e: de verrader. Maar dat is een vreemde logica. Judas was immers een van de twaalf apostelen, volgeling van Jezus. Omdat ik niet erg thuis ben in Bijbelse zaken heb ik het maar eens nagelezen, maar de naam van Judas staat toch echt in het rijtje. Het lijkt mij ook veel logischer om Jezus als de 13e man te zien: de voorganger. Dan kan je dertien toch niet zien als een ongeluks getal. Zelfs een waarschijnlijke atheíst als ik kan dat niet zo zien.

In 2006 werd het Evangelie van Judas ‘herontdekt’ en ontcijferd. Wikipedia: “Opmerkelijk hierin is dat Judas niet wordt afgeschilderd als ‘schurk’ of ‘verrader’, maar juist als een vroom en gelovig man, die tégen zijn wil deed wat Jezus van hem verlangde: hem overleveren aan de Romeinen”. Begrijpelijk dat vanuit de gevestigde (kerkelijke) orde dit beeld streng bestreden wordt.
Maar ook vanuit dit gezichtspunt en zelfs wanneer we niet Jezus maar Judas als 13e man zien, is het niet logisch dat wij dertien als een ongeluksgetal moeten zien. Integendeel.

De 8e toon
Zelf geef ik meestal een andere uitleg aan dertien als geluksgetal. Neem onze toonladder: do, re , mi , fa .so, la, ti en weer do. De laatste toon is weer gelijk aan de eerste, maar dan een toonhoogte hoger. Je kunt de toonladder dus ook zien als 7 + 1 tonen. Speel je de toonladder op de piano dan kan kan je daarvoor 12 + 1 toetsen gebruiken: 7 witte (do – ti) en 5 zwarte. De laatste toon is dan de 13e toon: het is de eerste toon van het volgende octaaf.

De gelijkenis met de 12 + 1 apostelen is treffend: het perfecte getal (12 of 7) wordt doorbroken. Ook zeven wordt algemeen als een perfect getal gezien, een geluksgetal.
Vervolgens kan je op twee manieren de betekenis van dertien duiden.
De eerste: het perfecte wordt doorbroken; we storten ons in het ongeluk. Dat is voor de zwartkijkers. De tweede: na het perfecte begint een nieuwe toekomst. Immers, stel je voor dat er na zeven of na twaalf niets meer kwam.
Wat als er na zeven tonen geen achste toon kwam? Einde muziek.
Wat als er na een week geen achtste dag kwam? En wat als na twaalf maanden er geen dertiende maand kwam? Nee, die financiele ‘dertiende maand’ kunnen we wel missen, maar als er geen januari meer kwam..?!
Dertien is de de poort naar de toekomst. De toegang naar nieuwe mogelijkheden. Dat is de kijk van de positivisten; ik zeg: van zelfstuurders.

Dertien als nieuw begin
Dertien is voor mij daarom het getal van de zelfsturing. Communicatieve zelfsturing uiteraard, maar daar kom ik later nog wel op terug. Voorlopig ga ik elke 13 van de maand een blog produceren over ‘dertien’ en/of ‘zelfsturing’.

Behalve op vrijdag de 13e. Die geluksdag reserveer ik helemaal voor mijzelf.
Wat doet vrijdag de 13e met jou?

Is dit wetenschappelijk onderbouwd?

Nu ik toch over de wetenschap begonnen ben, moet het volgende ook nog maar van het hart. Ik kan mij mateloos irriteren aan artikelen die vol staan met verwijzingen naar andere artikelen of boeken. Die verwijzingen moeten het ‘zogenaamde’ bewijs leveren voor de door de auteur geponeerde stelling of feiten. En feiten zijn feiten, dus dat is dan ‘de waarheid’. Maar zoals ik het vorige blog (10-07) al aangaf; hoe wetenschappelijk ook, vee; meningen en zogenaamde feiten blijken later falsificaties van de werkelijkheid te zijn. Door veel te verwijzen wordt ten onrechte een suggestie van ‘dit is toch wel echt waar’ opgebouwd.

Gisteren las ik tijdens mijn maandeijks bezoek aan de Bloedbank een artikel waarin een korte rapportage stond over een kartel van wetenschappelijke tijdschriften dat was ontmanteld en beboet: men verwees vooral (bijna uitsluitend) naar artikelen die gepubliceerd waren in tijdschriften die tot dat kartel behoorden. Want aangehaald worden is erg belangrijk in de wetenschappelijke wereld, dus dan maar op deze manier. Jezelf belangrijk maken heeft weing met wetenschap van doen.

Nog irritanter is het met mensen in gesprek te zijn die continu verwijzen naar wat schrijver x, professor y of goeroe z ooit eens heeft gezegd of geschreven. Eigenlijk ben je niet met deze persoon zelf in gesprek, want hij spreekt steeds met de mond van een ander. Het interesseert mij zelden wat professor x of professor y over het onderhavige onderwerp heeft gezegd; ik wil weten wat mijn gesprekspartner er van vindt. Met hem haar in kan ik in discussie en kan ik dialogeren; wat die aangehaalde professor er van vindt: dat moet ik maar voor lief aannemen, ik kan er niets mee.

Degene die mij dit ooit duidelijk maakte is Jan van der Linden, onze nestor Katarsiaan. Maar wat voor indruk zou het op jou maken als ik nu zei: “Jan van der Linden zegt dat je niet steeds moet quoten”. En heel vervelende indruk. Het roept gelijk de vraag op: ‘en vind jij dat zelf ook, Piet?’

Om deze reden heb ik er voor gekozen om op deze weblog mijn imprints op te nemen, waarin ik mijn voedingsbodem eer en toon. Opdat mijn lezers en gesprekspartners beter kunnen begrijpen waar mijn ideeen en denkbeelden hun oorsprong hebben. Maar wat ik blog komt uit mijn mond, pen, toetsenbord.

UItzondering bij het quote verbod maak ik met betrekking tot mijn lieve moedertje. Ondertussen ‘ergens boven’.  Bij tegenslag leerde ze mij altijd: “Je zult zien waar het goed voor is”. Dat vind ik ook, maar deze denkwijze quote ik toch altijd. Tenslotte blijft ze nog altijd mijn lieve moedertje. Zij hoefde zich niet belangrijk te maken. Ze was het.

 

Is dit wetenschappelijk bewezen?

Het was vandaag (09 juli 2012) in het nieuws: op de verpakking en bijsluiters van homeopathische geneesmiddelen mag niet meer worden vermeld waartoe dit middel dient ‘als dat niet wetenshappelijk bewezen is’. De Vereniging tegen de Kwakzalverij was weer blij. Ik niet.

Twee zaken komen bij mij boven: hieruit blijkt weer een overschatting van het belang van de wetenschap en anderzins een onderschatting van het zelfsturend vermogen van mensen. Ik sluit niet uit dat er voor dit wetsvoorstel niet alleen door de Vereniging tegen de Kwakzalverij, maar vooral ook door de pharmaceutische industrie flink gelobbied is.

‘Wetenschap is de geaccepteerde leugen’ kwam ik recentelijk ergens tegen. Ik vind dat wel een passende omschrijving. Het is altijd de laatste stand van zaken, maar met iedere nieuwe ontdekking verdwijnt de vorige versie naar fabeltjesland. Terwijl we eerst toch dachten dat het ‘wetenschappelijk bewezen en dus waar was’.
Een poosje geleden sprak ik met een arts over maagzweren. Mijn vader overleed in ’63 aan zijn derde maagzweer. De arts was te laat voor een nieuwe operatie. “Ik hoor nooit meer over maagzweeroperaties”, vertelde ik de arts waarmee ik sprak. “SInds de 80-er jaren hebben we nieuwe inzichten over het ontstaan en de bahndeling. Maagzweren worden vooral veroorzaakt door een virus en tegenwoordig kunnen we het dus met een pillenkuur af”, vertelde de arts. Toen, in ’63, was ‘wetenschappelijk bewezen’ dat opereren de beste methode was, nu zijn het de pillen. Wat zal de stand van zaken zijn over 10 jaar? Niemand kan het nog zeggen, maar de ‘oplossing’ bestaat natuurlijk al wel; hij is alleen nog niet door mensen bedacht en al helemaal nog niet bewezen.

Vragen om wetenschappelijk bewijs voordat je iets als nieuwe kennis durft te aanvaarden levert je dus een falsificatie van de werkelijkheid op. En wij maar denken ‘dat het waar is’ als het wetenschappelijk bewezen is.

Maar naast de overschatting van de wetenschap is er ook de onderschatting van het zelfsturend vermogen van de mens. Vroeger had ik nog wel eens hoodpijn. Die ging niet makkelijk over ondanks het gebruik van veel asperines. Terwijl op het doosje stond: ‘tegen hoofdpijn’. Zal wel, maar dan toch niet die van mij. Waarom mag op een potje pillen van de homeopaat niet staan ‘tegen huidschimmel’, om maar wat te noemen. De aanduiding ‘homeopathisch geneesmiddel’ geeft mij al voldoende informatie over de achtergrond van dit middel. Op welke gronden onthoudt de wetgever mij de voor mij belangrijke informatie?

Als we dan toch willen betuttelen, doe dat dan de groep onzekere nog-niet-zelfstuurders en laat dan op de verpakking er bij zetten ‘niet wetenschappelijk bewezen’. Dan kan ook de onzekere nog-niet-zelfstuurder zelf bepalen of hij het middel aandurf of niet.

Is er eigenlijk wetenschappelijk bewezen dat als er ‘wetenschappelijk bewezen’ op de verpakking staat het product ook beter werkt?

Zullen we liefdevol àdieu zeggen?

Gisteren zag ik de ‘Zwarte Madonna’ in het klooster in Lluc op Mallorca. Ik nam het beeld en de omgeving nog eens goed in mij op en liet de energieën terplekke goed op mij inwerken. En ineens wist ik het: het is nu de tijd om ‘adieu’ te zeggen. Adieu tegen ‘God’. Wat heeft hij ons als mensheid lang steun gegeven. En nog. Daar mogen we Hem zeker dankbaar voor zijn.

Al beseffen we ondertussen wel dat we het godsbegrip zelf gecreëerd hebben. En in  het licht van de geschiedenis van het universum dan ook nog maar heel kort geleden. Het universum is zo’n 13,7 miljard jaar geleden ontstaan en had al bijna 10 miljard jaar nodig om ons zonnestelsel te creëren. De eerste mens was er een miljoen jaar geleden ‘pas’. En toen duurde het nog heel lang voordat God gedacht werd. Het was de tijd waarop wij ons als mens nog helemaal moesten ontwikkelden. En net zoals dat bij kinderen het geval is: dan heb je een helpende hand nodig. Iemand die je steunt en leert hoe het leven in elkaar zit. Die jou vertrouwt en opvangt bij vreugde, meer nog bij verdriet. Dat was God.

Maar ondertussen zijn we een paar tijdperken verder. Zelfs het ‘ik-tijdperk’ dat begin zestiger jaren begon, hebben we al aardig verkend. Al zijn velen er nog lang niet klaar mee, vele anderen herkennen ondertussen de eigen verantwoordelijkheid voor het eigen leven en het eigen geluk. ‘ Zelfsturing’ noemen we dat, al is het echte begrip ‘communicatieve zelfsturing’. Meer en meer beseffen we dat we het zelf moeten doen, met elkaar en dat wij zelf verantwoordelijkheid dragen voor ons eigen geluk dat alleen kan bestaan in relatie met het geluk van anderen.

Vandaag las ik dat naar alle waarschijnlijkheid het ‘Higgs-deeltje’  door CERN definitief is ontdekt, beter gezegd: is vastgesteld. Voor mij het bewijs dat ik gisteren het goede gevoel had: ik zeg adieu tegen God.

Waarom zou ‘zinloos rijk’ niet kunnen?

De bezwaren vliegen je om de oren op het moment dat je het begrip ‘zinloos rijk’ laat vallen.  Ik vermoed dat daar veel drogredenen tussen zitten. Hoewel mijn verwachtingen voor enig concreet resultaat op dit punt nihil zijn, is het toch de moeite waard eens te denkelen over wat er kan of gaat gebeuren als ‘zinloos rijk’ wel als maatschappelijk issue erkend zou worden.

‘Niemand wil meer voor top-functies in aanmerking komen’. Ik geloof daar niets van. Er zullen zeker gekwalificeerden afvallen omdat het ego niet meer voldoende wordt gestreeld. Maar er zullen voldoende geschikten staan te popelen het over te nemen. Dat zijn degenen die het vooral doen om betekenis te geven aan hun werk en hun leven. En daar zijn er steeds meer van.

‘Top-functies zijn uitermate inspannend. Wel 80 uur per week! Misschien zelfs 24/7.  Dat moet beloond worden’.  Vind ik ook.  Geldt trouwens ook voor veel bedienend personeel in de horeca dat ik én ’s ochtends én ’s middags én ’s avonds op mijn vakantie-eiland zie werken. En ook voor mijnwerkers in India, China, etc. En voor nog veel meer andere harde werkers. Maar de echte vraag is: wilen we dit? Dat top-banen zo hectisch moeten zijn. Ik geloof er niets van. Dat kunnen we echt anders organiseren! Al zullen daarvoor nog wel meer overtuigingen moeten worden ‘herdenkeld’.

Zo geloof ik ook niet dat getalenteerde voetballers niet meer in de hoogste teams en belangrijkste competities willen voetballen ‘omdat ze minder betaald worden’. Wat moeten ze anders? Ping-pongen?

‘Er zal minder geld zijn voor ‘goede doelen’.  Ik verwacht het niet; er is immers op andere wijze meer geld in omloop gekomen. Dat geld kan ook rechtstreeks naar die goede doelen. En de toch al gevende massa blijft.

‘Niemand kan meer een Picasso kopen’.  De vraag is dan wie dat nu dan nog wel kan. Moet dit soort hoogwaardige kunst niet à priori voor zo groot mogelijke groepen toegankelijk blijven? Waarom zou zoiets in één riante, maar besloten huiskamer moeten hangen?

‘Zinloos rijk’?.., ik begin er bijna in te geloven.

 

 

Hoeveel is ‘zinloos rijk’?

Nu ik voor mijzelf erkend heb dat ‘zinloos rijk’ inderdaad bestaat, is het de moeite waard daar eens handen en voeten aan te geven. Gewoon eens wat denkelen, spelen met gedachten.

Ik beperk me tot de Nederlandse situatie. Op zich natuurlijk ook zinloos; we zijn teveel vervlochten met de rest van de wereld om ook maar iets hier op eigen houtje te kunnen doen. Maar je moet toch ergens beginnen.

Laat ik dat doen door het modaal inkomen in Nederland als uitgangspunt te nemen: het meest voorkomende inkomen per werkend hoofd van onze bevolking. Ook het CPB gebruikt deze rekeneenheid vaak als referentiepunt. . Voor 2012 wordt het modaal inkomen geschat op € 33.000 per jaar. Bruto. Als iemand nu eens zeven keer dit modale inkomen heeft, op jaarbasis, dan mag je toch spreken van een prachtig inkomen: 7 x € 33.000 = € 231.000 .  En stel nu eens dat deze persoon er nog niet eens voor hoeft te werken: hij krijgt het uit vermogen. Dat kan op veel manieren; ik kies voor een heel simpele: rente over zijn banktegoeden. De rente is nu laag; voor het gemak reken ik met 3%. Die 3% moet dan dus jaarlijks die € 231.000 opleveren. Dat betekent dat het vermogen zo rond de 7,5 miljoen moet liggen.

7,5 miljoen levert iemand dus een gegarandeerd inkomen van 7 x modaal, zonder er voor te hoeven werken en zonder dat het vermogen hoeft te worden aangetast. Dan kan je niet zeggen dat iemand het slecht heeft. Met andere woorden: alle vermogen boven de 7,5 miljoen is ‘zinloos rijk’.

Bestaat er zoiets als ‘zinloos rijk’?

Ergens in mijn artikelen-documentatie moet ik het nog hebben liggen: een artikel over ‘zinloos rijk zijn’. Ik schat dat het daar al wel een jaar of tien ligt. Ik vond het begrip ‘zinloos rijk’ destijds al een interessante gedachte.  Het idee heeft mij ook nooit meer verlaten en nu lijkt het mij actueler dan ooit. Het begrip schiet bij mij altijd van het achterhoofd naar het voorhoofd als ik berichten hoor over extreme salarissen en prijzen in de sport, in de zakenwereld of in welke andere branche dan ook. Jaarsalarissen van miljoenen voor voetballers, Amerikaanse basketballers. Vertrekpremies voor mislukte directeuren. Topsalarissen bij multinationals. Filmsterren. Voorbeelden genoeg. Er zijn steeds meer plaatsen waar salarissen, prijzen, premies en/of bonussen worden toegekend en uitgekeerd die niet meer in verhouding staan tot de feitelijk geleverde prestatie. En die elke samenhang met de rest van de samenleving missen.

Ik ben van mening dat niet alle werk gelijk beloond hoeft te worden.  Maar de uitdagingen waar we in onze samenleving voor staan maken het nodig dat we met elkaar het beschikbare vermogen redelijk verdelen.  Zolang bijna één miljard mensen (van de zeven) nog honger heeft en bijna drie miljard nog niet beschikt over de meest elementaire sanitaire voorzieningen, dan past terughoudendheid in extreme materiele rijkdom. Overal ter wereld. Dat geldt dus ook vor de Russische oligarchen, Nigerianse en Arabische oliebaronnen, Amerikaanse industriëlen, enzovoort, enzovoort.

In deze tijd groeit ons ethisch bewustzijn. Volgens mij ligt deze bewustzijnsgroei ook aan de basis van de huidige crisis. Daarover in andere blogs.  Maar de ontwikkeling van dit ethisch bewustzijn vraagt ons ook na te denken over ‘zinloos rijk zijn’.

Ik besef dat aan dit onderwerp heel veel kanten zitten die ook heel complex in elkaar steken. Ik besef ook dat het een utopie is te verwachten dat er op korte termijn een kentering in komt. Er zijn te veel ‘gevestigde orden’, te veel ‘belangen’, er is te veel ego. En er zeker ook nog te veel drogredenen waarom het niet zou kunnen. Voor mij is het daarom al belangrijk het begrip te erkennen: “ja, ‘zinloos rijk’ bestaat!”

Waarom versnelt de tijd? Deel 2.

Op YouTube staat een aardig filmpje: ‘Did you know 3.0’. Regelmatig komt er een nieuwe versie van uit. In een onderdeel van dat 5 minuten durende filmpje  wordt getoond hoeveel tijd een medium nodig had om 50 miljoen gebruikers te hebben. Bij de radio kostte dat 38 jaar; de televisie had daar nog maar 13 jaar voor nodig. Internet 4 jaar. De iPod 3 jaar en Facebook bereikte dat aantal al na 2 jaar.

Ik vind dit een mooi voorbeeld van de enorme versnelling die wij meemaken. Maar we mogen het niet verwarren met ‘een versnelling van de tijd’. Want net zo als in mijn vorige blog geldt ook hier: de tijd gaat niet sneller, maar het aantal mogelijkheden neemt steeds sneller toe. Is er ergens iets nieuws bedacht?  Vroeger duurde het jaren voordat die kennis over de wereld was verspreid. En dan spreek ik niet over heel veel vroeger. ‘Eind vorige eeuw’ klinkt wel ver weg, maar is het niet. Vandaag de dag staat nieuwe kennis à la minute online en is het toegankelijk voor grote groepen, verspreid over de hele wereld. Die deze kennis per direct weer gaan verrijken en verspreiden. Enzovoort.

Aangezien we in ons eentje de wereld niet kunnen veranderen is er maar één remedie om deze versnelling te kunnen weerstaan: vertragen. Meedoen door te vertragen.

Ik moet daarbij altijd denken aan een ondertussen al lang verboden kermisattractie.  Samen met de botsautootjes en de (eveneens nu verboden) trekwagentjes, was dit mijn favoriet. Stel je een grote ronde tent voor met in het midden een grote draaischijf.  Ik kan het niet meer precies nagaan, maar ik schat de diameter toch gauw op zo’n 7 à 8 meter. Naar het midden liep de schijf licht omhoog. Hij was van hout. Mooi gepolijst hout. Om de draaischijf een zandbak en daaromheen kon achter een wandje het publiek staan. Bij het klinken van de bel mocht je op de schijf plaatsnemen. Dat gebeurde massaal. Bij de volgende bel ging de schijf langzaam draaien. Langzaam werd de snelheid opgevoerd. Was je gaan zitten, dan werd je al snel door de middelpuntvliedende kracht van de schijf de zandbak in geworpen. Elkaar vasthouden bood even soelaas, maar nooit voor lang. Om te voorkomen al te snel in de zandbak te geraken zorgde je er voor dat je stond; liefst een beetje naar het midden toe. Daar was het natuurlijk dringen. Door op de schijf mee te lopen kon je je verblijf op de schijf rekken. Aangezien die geleidelijk steeds harder ging, moest je ook steeds harder lopen en werd je steeds meer naar de buitenkant van de schijf gedreven, waar de snelheid hoger en de middelpuntvliedende kracht sterker waren. Uiteindelijk was het rennen geblazen om het noodlot te ontlopen. Iets wat nooit lukte: de zandbak  was geduldig; de schijf meedogenloos. Tenzij. Tenzij je kans zag het absolute midden van de schijf in bezit te nemen en daar te gaan zitten. Daar was ruimte voor één persoon om schijnbaar zonder enige inspanning rondjes te kunnen blijven draaien. De middelpuntvliedende kracht is daar nul. Natuurlijk had de kermisexploitant daar wat op gevonden: een grote zandzak werd vanuit de nok van de tent aan een lang touw op je neergelaten. Het was je geraden daar bij uit de weg te blijven. Omdat je die zandzak wijselijk probeerde te ontwijken verschoof  je uit het midden en begon de ongelijke strijd tussen jou en de schijf opnieuw; al snel rende je naar de buitenrand van de schijf om daarna, net als alle anderen roemloos in de zandbak te eindigen. Ik snap wel dat deze attractie met de huidige veiligheidsvoorschriften verboden is.

Wat er blijft is mijn metafoor: hoe om te gaan met de zogenaamde tijdversnelling. Doe geen poging het toenemende tempo te volgen.  Waag je niet aan de rand, oftewel: doe geen moeite ‘alle mogelijkheden’  te benutten, noch om spijt te hebben van wat je nog niet hebt of deed. Ga naar het midden van de cirkel en vertraag je tijd.

Waarom versnelt de tijd? Deel 1.

De versnelling van de tijd. Dat is nogal een simpel verhaal: die bestaat niet. De tijd versnelt niet. Zolang we de tijd denken gaan er 24 uur in een etmaal: dat is 1 omwenteling om de zon. En zo gaan er ook 60 minuten in een uur. De aarde draait niet sneller om de zon dan voorheen.

Toch ervaren wij met z’n allen dat de tijd sneller gaat, lijkt te gaan. De ene oorzaak is dat wij met elkaar iedere dag een dagje ouder worden.  Ik las ooit dat we in de loop der jaren een tijdversnelling ervaren omdat je ‘het al een keer hebt meegemaakt’. Daardoor heb je minder tijd nodig alle indrukken te verwerken. En lijkt het of gebeurtenissen elkaar sneller opvolgen. Dat is een verklaring die mij wel plausibel in de oren klinkt. Ik schrijf dit blog op mijn vakantieadres in Mallorca. De eerste keer dat ik het smalle Spaanse weggetje naar ons verblijf reed, met aan beide zijden stenen muurtjes zodat je  met een tegenligger altijd even moet samenspannen om elkaar tepasseren, duurde dat erg lang, naar mijn idee. “Waar kom ik terecht? Zit ik wel op de goede weg?  Nu ik er aan gewend ben blijkt het maar een kort stukje te zijn. Ik rijd het dagelijks meerdere malen.

Deze tijdversnelling is van alle tijden en is niet de versnelling die ons zo bezighoudt. Die lijkt exponentieel van aard: het gaat maar sneller en sneller. Maar als de aarde niet sneller om de zon is gaan draaien, zodat we nog maar 20 in plaats van 24 uur in een etmaal hebben, wat is dan de oorzaak van deze  ervaren tijdversnelling? Mijn suggestie: het exponentieel toenemen van ‘mogelijkheden’ op bijna elk vlak. Uit alles kan je kiezen; moet je vaak kiezen.

Voorbeeld. Laat ik maar bij deze vakantie blijven. Nog niet zoveel jaar geleden boekte je de vliegreis bij het reisbureau. Die boekte al snel KLM: Nederlands product. De wereld was klein en overzichtelijk  Nu boek je zelf ‘uiteraard’ via internet. Je kunt kiezen uit een aantal maatschappijen die op Mallorca vliegen. Ik koos voor Transavia. Ik kan kiezen uit verschillende vluchten op verschillende dagen met wisselende tijden en per dag ook met wisselende tarieven. Dan: of ik alleen handbagage wil of ook ruimbagage. Als ik ruimbagage kies kan ik kiezen voor 15 of 20 kilo (“Wat denk jij nou?”, vraag ik dan aan mijn vrouw, die ik daarmee onderbreek in haar bezigheid.  Samen achter het scherm zitten doen we allang niet meer, uit ‘tijdbesparende overwegingen’ …).  Vervolgens kan ik ook mijn stoelen al kiezen en kan ik kiezen uit ‘standaard’ of ‘meer beenruimte’. Ik las dat je bij de KLM daarna al kunt zien welke passagier de stoel naast jou heeft geboekt, met zijn of haar LinkedIn adres.  Kan je tevoren al zijn profiel lezen. Tegen het eind van dit keuzeproces mag ik nog kiezen of ik wel of niet gebruik wil maken van de sms-dienst (waarmee eventuele vertragingen worden gecommuniceerd) en kan ik aangeven of ik wel of niet een annuleringsverzekering wil afsluiten  Tenslotte kan ik ook kiezen zelf al in te checken, of niet. Helemaal tenslotte is dat niet, want er komen ook nog mogelijkheden om aansluitend een auto te huren en/of een hotel te boeken. Kiezen, kiezen, kiezen.

Nu wist ik al snel dat ik naar Mallorca wilde, maar wat als je niet weet waar naar toe je wilt gaan, dan kan je uren, nee dagen op internet doorbrengen om je op honderden, nee duizenden ideeën te brengen. De vraag is of jij door de bomen het bos dan nog ziet. Als je niet weet wat je zoekt, zal je het niet zien als je het vindt.

Kiezen, kiezen, kiezen. Als je niet weet wat je wilt is het moeilijk kiezen. Dat geldt voor vakanties, voor elke aankoop die je doet, voor elke minuut tijd die je besteedt. Dat kiezen nekt ons. Kiezen vraagt tijd, maar dat niet alleen. Kiezen betekent ook: uit alle mogelijkheden er één kiezen en alle andere niet. Er blijven nog zoveel niet gekozen mogelijkheden over. En daarmee moet je wel kunnen leven. ‘Dat boek heb ik (nog) niet gelezen’; ‘die film heb ik (nog) niet gezien’; ‘in dat restaurant zijn we (nog) nooit geweest’; ‘daar heb ik (nog) nooit over nagedacht’; dat televisieprogramma heb ik (nog) nooit gezien’, etc. etc. etc. ‘En dat zou ik eigenlijk (nog) wel moeten’, denken velen dan in hun onbewuste, of misschien ook wel bewust. ‘Ik kan of moet nog zoveel’: dáár zit de hoofdoorzaak van de gevoelde tijdversnelling. Niet zozeer of alleen in ‘wat we nu doen’, maar vooral in alles wat we nog kunnen, moeten en willen doen.

De oplossing: weten wat wilt. Maar dat vraagt tijd.

Wat is het belang?

De wereld gaat nog eens ten onder aan het verdedigen van belangen. Dat denk ik. Maar door het uitspreken van deze voorspelling vertrouw ik er op er een ‘zichzelf vernietigende voorspelling van te maken.’ Wat is er aan de hand?

Het vreemde is dat iedereen die zo zijn belangen aan het verdedigen is, juist denkt dat hij zichzelf en misschien wel veel meer, aan het redden is.  Het belang van het behoud van zijn baan. Het belang van het slagen van hun kind. Het belang van ‘geen spoorlijn’ in mijn tuin en al helemaal geen asielzoekerscentrum. Het belang van Nederland in Europa en dat we vooral niet teveel betalen. Het belang van onze handelsrelaties met het midden-oosten. Het belang van onze gasvoorziening uit Rusland. Etc. etc.

Wat is er mis met belangen? Belangen moeten verdedigd worden. Belangen leiden dus tot strijd. Belangen worden ook heel moeilijk opgegeven. Daardoor leidt het verdeligen van belangen heel vaak tot ruzies, schisma’s, tot vechten, tot oorlogen. Zeker als die belangen via een ‘debat’ worden verdedigd. Maar daarover in een ander blog (20 juni).

Wat gebeurt er als we in onze mindset het perspectief van ‘het verdedigen van het belang’ vervangen door ‘het nemen van verantwoordelijkheid voor…’.  Verantwoordelijkheden hoef je niet te verdedigen; verantwoordelijkheden kan je wel delen. Ik denk dus dat we een heel andere beweging creëren als we gaan denken in verantwoordelijkheden in plaats van in belangen.

Want laten we welzijn: er bestaat maar één belang: ons aller belang.

Debat of dialoog?

Dagelijks hoor ik mensen zeggen dat ze graag het debat aangaan. Ik hoor dat steeds met afgrijzen aan. De politiek zit er vol mee. Er worden zelfs debat-wedstrijden gehouden: hoe kan je elkaar op de meest slimme wijze de loef afsteken. Recentelijk las ik een aardige omschijving van ‘debat’: een debat is vaak een verhit gesprek waarbij twee mensen tegen elkaar praten en naar zichzelf luisteren” (Dagelijkse gedachte: Jan Greshof). En daarmee denken we dan winst te behalen. Debatteren levert namelijk winnaars en dus ook verliezers op. In het debat doen we niets anders dan onze zienswijze en onze belangen verdedigen. (Over belangen schrijf ik binnenkort wel een apart blog) Maar als we met elkaar verder willen komen stel ik toch voor de dialoog te zoeken. Stel je eens voor: twee politieke opponenten die de dialoog aangaan. In een dialoog hoef je je eigen-aardigheden en ideeen echt niet te verloochenen; samen ga je op zoek naar iets van een hogere orde. Dat is dus winst voor alle twee als je dat bereikt en er is geen verliezer.
In mijn Katarsiaanse kring bedachten we het woord ‘dialogeren’.  Is het niet merkwaardig dat we wel kunnen ‘debatteren’, maar dat van het voeren van een dialoog geen werkwoord bestaat. Misschien dat we het daarom zo weinig doen. Maar dat excuus geldt nu niet meer: nu kunnen we dialogeren. Wat vind jij er van?

Hoop of vertrouwen?

Als je kunt kiezen tussen ‘hopen’ en ‘vertrouwen’, wat kies jij dan?

Ik kies voor vertrouwen. En mijn advies is om hopen zo veel mogelijk uit je vocabulair te schrappen; beter nog: uit je denksysteem.
Wat vind je beter klinken:
– “ik hoop dat mijn kinderen later niet aan de drugs gaan” of
– “ik vertrouw erop dat mijn kinderen later niet aan de drugs gaan”.
Waar ligt de meeste kans op de gewenste uitkomst?

Is dat anders bij “ik hoop op een lang leven” versus “ik vertrouw op een lang leven”?
Ik denk het niet.

Maar Piet, hoop is voor veel mensen toch wel heel belangrijk. Soms kan je niets anders toch dan nog ‘hopen’?! Ja, ik weet het: hoop is voor velen een laatste strohalm. Alle zelfsturing ben je kwijt, wat er rest is hoop. Je levert je over aan iets buiten jezelf. Ik denk dat als je in alle situaties waarin je hoopt, dat hopen vervangt door vertrouwen, dat je dat sterker maakt, meer energie geeft. Het bekrachtigt je denken, je eigenwaarde en vergroot de kans op succes. ‘Ik hoop’ wordt ‘ik vertrouw’. Vertrouwen geeft je kracht en legt de verantwoordelijkheid bij jezelf en niet buiten jezelf. Hopen is het voorportaal van slachtoffer zijn. Eigenlijk ben je het al een beetje.

Zie je nog eens een keer dat bord langs de weg staan ‘er is hoop’, denk dan: hopen is goed, vertrouwen is beter.