Vbnbl 5

 

3BELEMMERENDE FACTOREN

 

3.1De rol van het onderwijs

 

Het lijkt zo vanzelfsprekend om af te stappen van het idee dat wij wel weten wat goed is voor de ander. Maar ons hele schoolsysteem gaat nog steeds van dat principe uit. Het hele onderwijspakket van het basisonderwijs is nauwkeurig door de overheid bepaald en omschreven. Het lesrooster ligt vast en we weten dus nu al wat op dinsdagmiddag over 18 weken om 14.30 uur aan de orde moet komen… Klassikaal meestal. Het vervolgonderwijs zit niet veel anders in elkaar. Deskundigen hebben bepaald wat er in een bepaald pakket moet zitten. Met andere woorden: wat je moet weten om je straks schilder, boekhouder of belastinginspecteur te kunnen noemen op basis van behaalde diploma’s. De keuzen die aan leerlingen, studenten, cursisten wordt gelaten is in feite fragmentarisch. Binnen kaders kan men onderwerpen kiezen om vastgestelde leerstof te verwerken; kan men werkvormen kiezen om diezelfde vastgestelde leerstof in zich op te nemen; is er soms sprake van tempodifferentiatie. Maar dan hebben we het wel zo ongeveer gehad. Echte zelfsturing op basis van belangstelling van de lerende vanuit de werkelijke, eigen interesse, daartoe communicatief geholpen door zijn directe omgeving, daarvan is weinig sprake. Aan het eind van veel studies kennen we het fenomeen ‘scriptie’, tot in de vorm van de doctoraalscriptie toe. Pas op dat allerlaatste moment lijkt alsof er dan een opening naar zelfsturing wordt geboden. Niet wezenlijk, want de kaders en randvoorwaarden zijn nog steeds groot.

Maar de achterliggende bedoeling is toch: ga eens op onderzoek uit. Het vindt alleen nog plaats binnen het oude denkkader van voldoen aan tevoren vastgestelde normen.

 

Vraag eens aan een groep veertigers: waarvoor bent u opgeleid en welk beroep / vak oefent u nu uit? Grote kans dat in ongeveer de helft van de gevallen er nauwelijks of geen relatie meer is tussen de oorspronkelijke opleiding en de huidige activiteiten. Daar is men ‘door toeval’ in terecht gekomen, zegt men vaak Via dagelijkse werkervaringen, korte aanvullende opleidingen en studies, niet zelden in de avonduren gevolgd. Maar het was geen toeval. Het was het niet gekende unieke verborgen programma van die persoon dat vaak onbewust, de belangstelling van de persoon dreef naar andere horizonten dan oorspronkelijk in het verschiet lagen. Tegen de verdrukking in, zou je kunnen stellen, ziet het verborgen programma toch regelmatig zijn kans schoon om zich te ontwikkelen. Jammer dat er voor velen een half leven overheen moet gaan om dat te ontdekken.

 

Met deze werkelijkheid geconfronteerd reageren de meeste mensen met de opmerking dat het toch wel een zinvolle studietijd was, dat ze veel hebben geleerd en dat het zeker ook nuttig was om daarmee een brede horizon te krijgen. Ja, ons geheugen verdringt gelukkig snel de onplezierige momenten: al die tijd dat we zwoegden aan lesstof waarvan we nut en noodzaak niet inzagen en waarvan we al het vermoeden hadden dat we het later toch nooit nodig zouden hebben. Het werd ons ook nauwelijks duidelijk gemaakt. Als we deze studietijd toch eens hadden kunnen besteden aan kennis vergaren waar we werkelijk naar op zoek waren! Waarbij kennis moet worden gezien in de meest brede betekenis van het woord: van informatie tot inzicht, inclusief de ervaring. Wat hadden we dan veel meer kennis vergaard, eenvoudigweg omdat de drijfveer zoveel krachtiger was geweest en de interesse veel meer doelgericht. Onderwijskundigen spreken dan van intrinsieke motivatie; ook een term om dichter bij het unieke verborgen programma van een persoon te komen.

 

Onderwijsvernieuwingen van de laatste decennia hebben het allemaal niet gehaald; eenvoudigweg omdat de fundamenten ondergraven zijn. Het basisonderwijs is niet fundamenteel veranderd qua aanpak. De Middenschool legde al snel het loodje: daar werd iedereen gedurende drie jaren juist nog gelijker gemaakt… Het studiehuis lijkt veel vernieuwing te geven en voor de leraren is dat ook zo. Toch geeft ook het studiehuis wel meer variëteiten in werkvormen, maar niet in eindtermen. Er zijn drie stromingen en daar moeten al die unieke verborgen programma’s van al die kinderen het mee doen.

Daarbij komt nog eens dat leren in het onderwijs steeds minder leuk wordt in vergelijking met leren buiten het onderwijs, waar allerlei nieuwe media en technieken uitnodigen tot leeractiviteiten.  Maar de hoofdzaak is dat het leren nog altijd uitgaat van door de overheid vastgestelde leerinhouden.

 

Ook maatschappelijk moeten we ons dus de vraag stellen of we het ons wel kunnen permitteren om zo te blijven omgaan met zoveel verspilde energie en de talenten die pas zo laat tot bloei komen of helemaal niet. Vergelijken we voor dit geval onze maatschappij even met een bedrijf, dan is het antwoord op die vraag al snel duidelijk: we zouden als bedrijf ten onder gaan aan een zo weinig efficiënte inzet van beschikbaar potentieel.

Als we zoveel geld en energie zouden stoppen in zaken waarmee we later in de onderneming toch niets zouden gaan doen… Er is toch geen onderneming te bedenken die 25% investeert in machines ‘die misschien nog wel eens een keer van pas kunnen komen’. Dat is een onverantwoorde investering. Maar in ons onderwijs accepteren wij deze denkwijze niet alleen, we verdedigen hem ook nog. Als maatschappij houden we daarmee de verspilling van ons potentieel en van miljarden in stand.

 

 

Een dergelijke handelwijze kunnen we ons eigenlijk niet meer veroorloven: bij de steeds groeiende vraag naar specialistische en generieke kennis kunnen wij het ons niet meer permitteren de in ons en onze medemens verborgen talenten niet te gebruiken. Dat zou in feite altijd al ethisch uitgangspunt moeten zijn. De ethiek heeft het niet voor elkaar gekregen, nu is de harde realiteit die ons alsnog dwingt het maximale uit onszelf en de ander te halen. Het zal niet de eerste keer zijn dat een economische drijfveer uiteindelijk voor een doorbraak zorgt.

 

Het is echt tijd onszelf de vragen te gaan stellen naar de werkelijke waarde van diploma’s en certificaten die behaald zijn op voorgedefinieerde studieprogramma’s. Wat zeggen ze ons? Welke garanties kunnen we er uit putten? Het is een aloud thema dat in het kenterende tijdsbeeld van nu opnieuw aan de orde komt. Op de een of andere manier blijven we vasthouden aan de waarde van een papiertje als een vorm van zekerheid. Het is natuurlijk een schijnzekerheid. De enige zekerheid die het papiertje geeft ligt in het verleden: men heeft bepaalde stof behandeld gekregen en tijdens een toets is daar door deskundigen voor het totaal een oordeel als ‘voldoende’ voor gegeven. Maar zekerheid voor de toekomst: niets! Wie denkt dat het wel zo is houdt zichzelf voor de gek. Met een knipoog naar de bekende zinsnede bij beleggingsadvertenties: ‘in het verleden vergaarde kennis geeft geen garantie voor de toekomst’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *