Vbnbl 7

 

 

3.2 Uitdaging voor het  bedrijfsleven

 

Er ligt nog een andere uitdaging te wachten op ondernemend Nederland: een verdere bemoeienis met het onderwijs. Globaal zou je de verhouding tussen onderwijs en bedrijfsleven als een soort haat-liefde verhouding kunnen typeren. Het onderwijs levert onvoldoende aan het bedrijfsleven waar men behoefte aan heeft en het bedrijfsleven stelt onvoldoende stageplaatsen beschikbaar voor studerenden.

 

‘Bedrijfsleven investeert in bèta-onderwijs’ kopte de krant een dezer dagen. (Financieel Dagblad, 3 juni 2002). Opmerkelijke passage uit dat hoofdartikel:

 

Doel van de ‘adoptie’ is havo- en vwo scholieren rond veertien jaar te interesseren voor techniek. Op die leeftijd moeten scholieren een studieprofiel kiezen voor de rest van hun schoolloopbaan. ‘Ze maken daarmee een keuze voor de rest van hun leven’, aldus een Philips woordvoerder. Keuzes liggen echter al eerder vast, weet hij. Daarom zijn er plannen om ook jonge kinderen, vanaf acht jaar, op de basisschool te interesseren voor techniek. ‘Maar die plannen zijn nog niet helemaal uitgewerkt’.

 

Goede bedoelingen, maar de uitwerking bouwt verder op bestaande tradities: de ontwikkeling van lesmateriaal, gastlessen en het bijspijkeren van docenten. Is dat de snelweg naar ‘scholieren interesseren voor techniek’. Natuurlijk kan je interesse wekken door iets er aantrekkelijker, uitdagender uit te laten zien, maar ik zou zeggen: ga eens in gesprek met de scholieren zelf en zoek naar verborgen programma’s die hunkeren naar techniek. De woordvoerder weet het wel: ‘Keuzes liggen al eerder vast’. Als dat waar is, en ik denk dat dat waar is, dan hoef je je om de in techniek geïnteresseerden geen zorgen meer te maken. Die gaan die kant toch wel op. Bij de niet in techniek geïnteresseerden kan het nog twee kanten op. Ten eerste: ze zijn wezenlijk niet geïnteresseerd; het zit niet in hun verborgen programma. Dan moet je ook niet met vlagvertoon proberen ze over de schreef te trekken, want op termijn leidt dat aan beide zijden tot teleurstelling. Beide zijden: de werknemer en de werkgever.

Ten tweede: techniek zit wel degelijk in het verborgen programma, maar het is als zodanig nog niet ontdekt. Niet door betrokkene zelf en nog niet door zijn omgeving. Dat is de te bereiken doelgroep.

In dat geval zou ik dus starten met in gesprek te raken met de doelgroep van ongeveer achtjarigen en daarvoor interessante ontdekkingsmaterialen ontwikkelen. En pas in een later stadium denken aan materiaal voor oudere leerlingen. En docenten zou ik niet ‘bijspijkeren’, maar leren observeren en leren op zoek te gaan naar verborgen programma’s. Maar de  opvolging daarvan vereist ook aanpassingen aan het schoolsysteem en dat zal de grote bottleneck weer zijn… Misschien een reden te meer om in de plannen ook de deelnemende ondernemingen zelf meer als rijke leeromgevingen bij het project te betrekken. Want wat is aantrekkelijker: werken met medewerkers in een bedrijf en daar opdrachten mogen uitvoeren en dan steeds adequate uitleg krijgen (want de begeleidende medewerker heeft daar tijd en wat scholing voor gekregen!), of moeten luisteren naar een bijgespijkerde docent…?

Toch lijkt de nood niet zo groot als het artikel doet vermoeden: de investering van  250.000 lijkt groot, maar  10.000 per school is heel weinig. Je houdt er 1 jonge docent twee maanden mee voor de groep.

 

Toch: op veel fronten wordt aan verbetering gewerkt en zijn er mooie voorbeelden van trajecten waar men poogt tot betere aansluitingen te komen. Maar in de essentie van het leren verandert er niet zoveel: leren van buiten naar binnen blijft leren van buiten naar binnen. Het eindresultaat wat vanuit dit paradigma kan worden behaald wordt er wel door verbeterd, maar de nieuwe krachten die vrijkomen door van binnen naar buiten te gaan leren worden nog niet aangeboord.

Een initiatief zoals te lezen in bijgaande illustratie zou dus te prijzen zijn vanuit de betrokkenheid die ervan uitgaat, ware het niet dat het vooral lijkt voort te komen uit het zakelijk belang. Het geeft echter geen echte doorbraak in het creëren van meer kennis en het vrijmaken van meer ambitie.

 

Er zijn wel voorbeelden van plaatsen waarop men tracht de nieuwe zienswijze van leren van binnen naar buiten in het onderwijs vorm te geven. Onder andere in de Drechtsteden is er een initiatief voor de inrichting van een Leerpark. Daarin ontmoeten onderwijs en bedrijfsleven elkaar en creëren zij in nauwe samenwerking leer- en werkplaatsen voor studerenden, waar het leren niet vanuit het klaslokaal geschiedt, maar vanuit de passie en ambities van de leerlingen. Door ambities van leerlingen als uitgangspunt te nemen, door het vormgeven van rijke, pluriforme leeromgevingen en door een sterke integratie van leer- en werkplekken geeft men de ruimte aan het aanwezige talent om zich te ontplooien. Veel van dit gedachtegoed is nog conceptueel, al wordt er bijzonder hard gewerkt aan de realisatie. De eerste pilots laten verrassend positieve resultaten zien, in die zin dat leerlingen prestaties blijken te kunnen leveren, waarvan men in de traditionele lesomgevingen niet had kunnen verwachten dat ze geleverd zouden worden. ‘Het klaslokaal is de minst krachtige leeromgeving’ is niet voor niets in dit experiment een belangrijk credo. Voor onderwijsgevenden een paradigmadoorbraak van jewelste. En voor ondernemend Nederland een ultieme kans zich daarbij aan te sluiten. Als er toch ergens een groep mensen moet zijn die ‘een goed gevoel’ hebben bij het kennis nemen van het begrip ‘van binnen naar buiten leren’, dan zullen daarbij veel ondernemers zitten. Ondernemers, geen managers…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *